De pijlers van ons pensioen

De eerste pijler van het pensioen wordt gevormd door het zogenaamde wettelijk pensioen, het bedrag dat u van de overheid krijgt na uw pensionering. “Per jaar dat men werkt, krijgt men “jaarrechten” die meetellen voor het latere pensioen”, zegt Stevens. “De formule is niet moeilijk: het brutojaarloon deelt men door 45 en daarvan neemt men 60%. Stel dat u in 2014 40.000€ verdiende. Als u dat deelt door 45 en u neemt 60%, bekomt u 533€. Deel dat door 12 en dan heeft u voor dat jaar al ongeveer 44,42 euro bruto aan maandelijks pensioen voor later “verzameld”.”

Deze formule geldt voor zowel de 4,5 miljoen werknemers in ons land als de 900.000 zelfstandigen. “Maar zelfstandigen krijgen toch een lager pensioen omdat de financiering anders geregeld is. Die pot is gewoon kleiner. Voor ambtenaren is de berekening helemaal anders: hun pensioen wordt bepaald door hun loon van de laatste tien jaar, vandaar dat hun wettelijk pensioen zo hoog ligt. Dat is door de overheid niet bewust gedaan, het is historisch zo gegroeid sinds de eerste pensioenwetten uit 1844. Vergeet ook niet: voor ambtenaren bestaat de tweede pijler niet. En die vlakt het verschil met de andere beroepscategorieën deels uit.”

 

 

Die tweede pijler omvat het aanvullend pensioen dat via de werkgever of de sector waarin men werkt, wordt opgebouwd: een groepsverzekering, pensioenfonds of sectorpensioen. “Ongeveer 70% van de werknemers heeft zo’n tweede pijler”, zegt Stevens. “Maar ook hier zijn er grote verschillen in de bedragen. Bij sommigen loopt dat flink op, bij anderen blijft het erg bescheiden.”

Voor de zelfstandigen zijn er twee formules om de tweede pijler op te bouwen: een VAPZ of Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen of een IPT (Individuele Pensioentoezegging). Professor Stevens: “Beide formules komen met een fiscaal voordeel, maar het IPT is voorbehouden voor vennootschappen. Hierbij betaalt een vennootschap voor de pensioenrechten van zijn zaakvoerder. De wat meer courante VAPZ staat ook open voor eenmanszaken en zelfstandigen in bijberoep, in zoverre deze sociale bijdragen betalen in hoofdberoep.”

 

 

De derde pijler omvat het pensioen dat mensen zelf opbouwen door op een fiscaal gunstige manier voor hun oude dag te sparen, dat kan via pensioensparen en/of langetermijnsparen. “Dit is een interessante manier om je pensioen aan te vullen, wie er het geld voor heeft, moet dit doen”, pleit professor Stevens. “Niet alleen krijg je een rendement, er is ook nog een mooi belastingvoordeel. ”. Een Belgische belastingbetaler mag, voor het inkomstenjaar 2015, tot 940 EUR  storten voor pensioensparen en tot 2260 EUR voor langetermijnsparen.

 

 

Over de vierde pijler ten slotte, bestaat er wat semantische verwarring, aldus de professor. “Afhankelijk van met wie je praat, omvat die verschillende zaken. In regel gaat het om eigen vermogen dat men door eigen spaarinspanningen heeft opgebouwd en waarvoor geen fiscaal voordeel bestaat. Maar soms wordt daar bijvoorbeeld ook de eigen woning toe gerekend.” Die eigen woning is trouwens een belangrijke component. “Ons wettelijk pensioen is vergeleken met veel andere landen vrij laag, maar gelukkig zijn veel Belgen huiseigenaar en moeten zij na pensionering dus geen huur betalen. In Scandinavië bijvoorbeeld zijn de pensioenen hoger, maar toch voorziet de overheid daar huursubsidie voor ouderen, wat wij niet kennen. Net omdat zij een groot deel van hun pensioen aan huur zien opgaan. Als je als gepensioneerde Belg huurt, dan is het des te belangrijker om voor aanvullend sparen te zien. De armoedekans ligt bij die bevolkingsgroep een stuk hoger dan bij andere mensen.”

 

Bij Beobank kan u terecht voor sparen in de derde pijler. Spreek erover met uw Beobank adviseur.