Over angst voor inflatie en de realiteit van deflatie

Over angst voor inflatie en de realiteit van deflatie

Over angst voor inflatie en de realiteit van deflatie

Bruno Colmant
Professor aan de Vlerick Business School en de UCL
Lid van de Académie Royale de Belgique

Er pakken opnieuw donkere wolken samen boven de eurozone. Het scenario van de Japanse deflatie is reeds gekend. Het werd zelfs aangehaald als het grootste gevaar voor de economie. Toch gaat de eurozone door een gebrekkige visie en politieke halsstarrigheid dezelfde weg op als Japan. Europa leefde maar liefst zeven decennia in de veronderstelling dat de zone zou blijven groeien. Wanneer we nu in de val van deflatie trappen, komen we voor lange tijd vast te zitten.


Deflatie is veel erger dan inflatie. Inflatie kunnen we bestrijden met strenge renteverhogingen en prijscontroles, met een krimpende economie tot gevolg. Tegen deflatie staat de overheid echter machteloos, aangezien dan het klassieke monetaire beleid ondoeltreffend wordt. Deflatie leidt tot werkloosheid, economische malaise en een verhoging van de reële rente (na aftrek van de inflatie) op overheids- en particuliere leningen wat een negatieve impact heeft op investeringen. Daarnaast brengt deflatie vaak een liquiditeitsprobleem met zich mee. Uit voorzichtigheid wordt spaargeld opgepot, ondanks de lage rentevoeten. Zo daalde de omloopsnelheid van cash - de snelheid waarmee geld circuleert in een economisch systeem - bijvoorbeeld dramatisch. Dat is natuurlijk rampzalig aangezien het in periodes van deflatie onmogelijk is om de concurrentiekracht te stimuleren en de overheidstekorten te doen dalen.

Die deflatie heeft verschillende oorzaken: de desindustrialisering neemt toe en de schulden van onze dure welvaartsstaat moeten worden vereffend. Europa heeft te lang vastgehouden aan een industrieel economisch model, terwijl de huidige markteconomie steunt op de flexibiliteit van productiefactoren en de veelzijdigheid van groeisectoren. De herverdelende rol van de staat zoals we die kennen uit de periode van naoorlogse wederopbouw en het industriële model is definitief uitgespeeld.

 

Maar er zijn nog twee andere oorzaken.


De eerste fout is politieke kortzichtigheid. Na de crisis van 2008 trok er vanzelfsprekend een schokgolf door onze economie. Ze was immers niet enkel een crisis van rommelkredieten maar ook een fundamentele maatschappelijke kentering. De markteconomie volgde de regels van de geglobaliseerde vrijhandel, waarvoor de openstelling van de markten en de opgang van het internet de fundamenten legden. In 2008 werden we brutaal ondergedompeld in het Angelsaksische kapitalisme, een model dat intussen de groeinorm geworden is.

Die schok van 2008 bracht economische stabilisatoren op gang met kapitaalinjecties in of de nationalisering van banken. Een stijging van de staatsschuld was onvermijdelijk, temeer omdat door de vergrijzing van de bevolking de pensioenuitgaven de pan uitswingden. De staatsschuld steeg weliswaar om legitieme redenen maar bracht ook een schrikwekkende realiteit aan het licht: decennialang maakte de staat schulden om haar werking te financieren, en niet om duurzame projecten voor collectieve groei te bekostigen. We leven dus letterlijk ten koste van toekomstige generaties. Sommige politici, zoals Jacques Delors, bepleitten nochtans eerder al grote economische Europese infrastructuurwerken. Ze werden niet gehoord.

Als antwoord op de stijgende overheidsschulden, die die overigens niet in alle eurozonelidstaten dezelfde vorm aannemen, legde de Europese overheid strenge bezuinigingsmaatregelen op. Dat was een grove fout, alsof de keynesiaanse theorie achterstevoren gelezen werd. In de jaren 30 waarschuwde Keynes landen ervoor dat ze deflatie in de hand zouden werken met besparende maatregelen. Zij luisterden echter niet, met een falende deflatiepolitiek als gevolg (Laval in Frankrijk, Hoover in de Verenigde Staten, Brüning in Duitsland enz.). Sommige van die landen werden zelfs het schouwtoneel van militair geweld. Daarnaast strandden ook de meeste politieke systemen met een bezuinigingsbeleid (het Franse Front populaire in 1936 en de Belgische regering van Van Zeeland in 1935).

Die begrotingsbeperkingen zijn vandaag vastgelegd in een Europees pact dat de economische malaise ongetwijfeld in de hand zal werken. Het pact eist de verlaging van de overheidsschuld met 5% per jaar. Doelstelling is een overheidsschuld die 60% van het bruto binnenlands product (bbp) bedraagt. Die 60% is niet nieuw, ze was in 1999 immers een van de criteria om tot de eurozone toe te treden. Ondertussen is ze zowat de gulden regel die eist dat het ‘structurele’ tekort - het tekort dat conjuncturele schommelingen buiten beschouwing laat - niet hoger mag zijn dan 0,5% van het bbp. Omdat Europa geen ‘externe’ monetaire devaluatie kan doorvoeren, legt het een ‘interne’ devaluatie op. Begrotingsbeperkingen en loonmatigingen, opgelegd in besparingsprogramma’s, werden in het begrotingspact gegoten. gegoten.

Een andere oorzaak van de deflatie is de euro, waarvan de gebreken inmiddels reeds gebleken zijn. Zo transformeert de logica van de noordelijke landen, gebaseerd op een competitieve desinflatie, zich in een recessionaire deflatie. De euro wordt een intrinsieke deflationistische munt en we trappen in de Japanse val. Dat betekent dat onze munt wordt gekenmerkt door een gebrek aan inflatie en groei.

Duitsland legt haar monetaire soevereiniteit op aan de eurozone. Tegen alle logica in vegen koppige Duitse politici de inflatie van tafel, terwijl de Verenigde Staten, Engeland en Japan op monetaire versoepeling inzetten. Deflatie zal de overheidsschulden onbetaalbaar maken. Zonder inflatie vrees ik dat we de overheidsschuldencrisis enkel nog aan de basis en intern kunnen bestrijden, m.a.w. door het kwijtschelden van overheidsschulden in de Zuid-Europese landen.

Daarnaast stelt zich nog een ander risico: de verhoging van de rente. De centrale banken bevestigden allemaal dat ze hun rentevoeten zo laag mogelijk willen houden. Maar dat geldt enkel voor de kortetermijnrente. De rente op lange termijn wordt bepaald door de markten. En we moeten ons erop voorbereiden dat die de hoogte zullen ingaan, om verschillende redenen: het progressieve einde aan het soepele monetaire beleid in de Verenigde Staten (equivalent aan een kunstmatige kortetermijnrenteverlaging met 2%), de val van valuta van groeilanden, inflatiepieken enz. Een dergelijke renteverhoging heeft ongetwijfeld catastrofale gevolgen voor een Europa dat in de greep is van deflatie en recessie.

Wat moeten we dan doen? Een ideale oplossing bestaat niet, maar we moeten een inflatieschok creëren, de euro sterk depreciëren via een enorme kwantitatieve versoepeling of een massale herfinanciering (dus een geldcreatie) van de overheidsschulden van verzwakte landen. We moeten met andere woorden inspiratie halen uit het hedendaagse Japanse monetaire beleid, aangezien we met een gelijkaardig scenario te kampen hebben. Een inflatie kan natuurlijk een renteverhoging teweegbrengen, maar de staten hebben vermoedelijk voldoende controle over de kredietcircuits om dat euvel te neutraliseren. Maar dat zal nog niet volstaan. We moeten ons ervan bewust worden dat een begroting in evenwicht geen oplossing is als de economie krimpt. Wat we echt nodig hebben, zijn grote infrastructuurprojecten voor Europa die de lidstaten overstijgen.